Promotie mr. W.M. Limborgh

Op vrijdag 7 oktober 2011 promoveert mr. W.M. (Wouter) Limborgh.

 

Proefschrift

De titel van het proefschrift is: “Culturele vrijheid en het strafrecht”. De begeleiders zijn prof. W. van der Burg, hoogleraar rechtsfilosofie en rechtstheorie aan de EUR (promotor) en mr. G.J.M. Corstens, president van de Hoge Raad der Nederlanden (copromotor).

 

In het proefschrift wordt ingegaan op de toelaatbaarheid en strafbaarheid van culturele feiten die onder het bereik van de Nederlandse strafwet vallen. Voorbeelden van dergelijke culturele feiten zijn eerwraak, meisjes- en jongensbesnijdenis en polygamie.

 

Het geschetste beoordelingskader

Aan de hand van de (voornamelijk) door de filosofen Amartya Sen en Martha Nussbaum ontwikkelde capability-benadering wordt in het proefschrift een kader geschetst waarbinnen culturele feiten op een genuanceerde en afgewogen wijze kunnen worden geëvalueerd. Betoogd wordt dat de toelaatbaarheid van culturele feiten afhankelijk is van de effecten van die feiten op de vrijheden die mensen in hun dagelijkse bestaan genieten. Voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van een specifiek cultureel feit dient een afweging te worden gemaakt tussen enerzijds de culturele vrijheid van de pleger en anderzijds de vrijheden van de slachtoffers.

 

In het proefschrift wordt (verder onder meer) beargumenteerd dat culturele feiten die binnen het geschetste kader toelaatbaar worden bevonden, van strafrechtelijke aansprakelijkheid moeten worden uitgesloten. Om dit te bewerkstelligen dient te worden aangesloten bij één van de beginselen die ten grondslag liggen aan het Nederlandse strafrecht: het wederrechtelijkheidsbeginsel. Dit beginsel krijgt binnen het Nederlandse strafrecht op verschillende manieren vorm. Elk van deze manieren vormt een potentieel aanknopingspunt voor het van strafrechtelijke aansprakelijkheid uitsluiten van toelaatbare culturele feiten. Bij welke vorm moet worden aangesloten, is afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval.

 

Evaluatie van concrete culturele feiten

In het proefschrift wordt een aantal concrete culturele feiten geëvalueerd. Geconcludeerd wordt onder meer dat in de geschetste omstandigheden van het geval:

           eerwraak, de in Nederland veel voorkomende vorm van jongensbesnijdenis die ‘periah’ wordt genoemd en de meest ingrijpende vormen van meisjesbesnijdenis (clitoridectomie, excisie en infibulatie) niet toelaatbaar zijn omdat de culturele vrijheid van de plegers niet opweegt tegen de vrijheden van de slachtoffers. De culturele vrijheid van de plegers vormt in deze gevallen geen overtuigende reden om het betreffende culturele feit van strafrechtelijke aansprakelijkheid uit te sluiten;

          symbolische meisjesbesnijdenis en polygamie toelaatbaar zijn en op grond van de culturele vrijheid van de plegers van strafrechtelijke aansprakelijkheid dienen te worden uitgesloten. Wat betreft polygamie moet deze uitsluiting worden bewerkstelligd door de strafbaarstelling van bigamie (art. 237 Sr) uit het wetboek van strafrecht te schrappen. Symbolische besnijdenis dient van strafrechtelijk aansprakelijkheid te worden uitgesloten door de delictsomschrijvingen van art. 300 e.v. Sr restrictief te interpreteren. Symbolische meisjesbesnijdenis kwalificeert dan niet langer als strafbare mishandeling.   

 

Over de auteur

W.M. Limborgh is in 2001 afgestudeerd in de studierichting Nederlands recht aan de Universiteit van Amsterdam. Vervolgens heeft hij negen jaren bij de Hoge Raad der Nederlanden gewerkt, eerst als medewerker van het wetenschappelijk bureau en later als persoonlijk medewerker van de president. Sinds juni 2011 werkt mr. Limborgh als advocaat bij Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn.

 

De promotie vindt om 9.30 uur plaats in de Senaatszaal, Campus Woudestein, Rotterdam.