De betekenis en verhouding van grondrechten.

 

Enkele overwegingen t.b.v. het rondetafelgesprek Scheiding kerk en staat en grondrechten, Tweede Kamer 15 september 2011

Prof.dr.mr. W. van der Burg, Erasmus School of Law (EUR)

Rechtsfilosofische grondslagen

1. In een democratische rechtsstaat vormen grondrechten een noodzakelijk tegenwicht tegen het meerderheidsbeginsel. Van minderheden kan alleen redelijkerwijze verwacht worden dat ze zich neerleggen bij meerderheidsbesluiten als de procedures fair zijn geweest, er aandacht is geweest voor hun opvattingen bij het nemen van het besluit, en als voor hen wezenlijke dimensies van hun leven niet door toevallige meerderheden en overheden worden aangetast. Grondrechten en adequate rechtsbescherming zijn daarom geen aantasting van het meerderheidsbeginsel, maar een wezenlijke voorwaarde voor het functioneren ervan.

2. Grondrechten beschermen doorgaans wezenlijke dimensies van het menselijk leven. Dat sommige buitenstaanders die dimensies minder of in het geheel niet belangrijk vinden (bijvoorbeeld omdat ze zelf niet godsdienstig zijn), doet daar niet aan af. Dat buitenstaanders vaak het door het grondrecht beschermde gedrag irrationeel, onbegrijpelijk of ergerniswekkend vinden, evenmin.

3. Het leven overeenkomstig de normen van hun godsdienst is voor sommige gelovigen de meest wezenlijke dimensie van hun leven en geeft zin aan hun bestaan. De vrijheid van godsdienst en levensovertuiging beschermt in de ogen van sommige gelovigen het hoogste goed. Daarom dient de overheid zeer terughoudend te zijn zich daarin te mengen, ook al vindt de meerderheid van de bevolking en/of volksvertegenwoordiging het gedrag aanstootgevend en onbegrijpelijk. Deze vrijheid kan niet gereduceerd worden tot de vrijheid van meningsuiting; de geloofspraktijk in kleding en gedrag wordt evenzeer beschermd als de overtuiging (art. 9 EVRM  … in public or private, to manifest his religion or belief, in worship, teaching, practice and observance.” Dat in een seculiere samenleving voor veel burgers en ook voor veel gelovigen die praktijk zich tot de privésfeer beperkt, betekent niet dat dat voor alle gelovigen zo zou moeten zijn, laat staan dat het grondrecht gedrag in de publieke sfeer niet zou beschermen.

4. Andere grondrechten beschermen andere dimensies van het leven. Ook de vrijheid van meningsuiting beschermt een wezenlijke dimensie van het menselijk bestaan en is bovendien een feitelijke voorwaarde voor het goed kunnen functioneren van een democratie en van de vrije markt.

5. Hoewel er principieel geen algemene hiërarchie van grondrechten kan bestaan (zie 8), kan wel in algemene zin worden gesteld dat sommige grondrechten wezenlijker dimensies van het menselijk bestaan beschermen dan andere. De vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en de vrijheid van meningsuiting hebben daarom een relatief zwaar gewicht.

6. De vrijheid van onderwijs beschermt m.i. vanuit rechtsfilosofisch en rechtsvergelijkend gezichtspunt een minder zwaarwegend belang; de meeste landen erkennen het niet als grondrecht en rechtsfilosofisch zijn er ook geen zwaarwegende argumenten om dit als grondrecht te verankeren. De wens om de eigen normen en waarden aan de eigen kinderen over te dragen en daaraan niet alleen in de privésfeer vorm te geven, maar ook op school, is veel minder te zien als een kernwaarde van het menselijk leven. Daarom weegt dit grondrecht relatief minder zwaar en zijn inbreuken eerder gerechtvaardigd te achten. Het weren van vrouwen of homoseksuelen uit het priesterambt wordt door de vrijheid van godsdienst beschermd, maar de vrijheid van onderwijs dient m.i. niet het categorisch weren van vrouwen of homoseksuelen uit het bijzonder onderwijs te beschermen.

7. Het non-discriminatiebeginsel van art.1 beschermt de meest fundamentele norm van een democratie: dat alle burgers als gelijke moeten worden beschouwd en door de overheid met gelijke zorg en respect moeten worden behandeld. Principiële gelijkwaardigheid is echter niet hetzelfde als gelijke behandeling of gelijkvormigheid; de overheid mag wel degelijk onderscheid maken, op relevante gronden. Artikel 1 is dus een fundamenteel grondrecht dat vooraf gaat aan alle andere grondrechten.

 

Maatschappelijke botsingen en conflicten van grondrechten

8. Een hiërarchie van grondrechten is onmogelijk omdat niet iedere inperking van een vrijheid even ingrijpend is en omdat de activiteiten die onder een grondrecht vallen niet allemaal even wezenlijk zijn. Het niet mogen luiden van een klok is bijvoorbeeld een minder ingrijpende inperking van de vrijheden van godsdienst en meningsuiting dan het niet mogen bijwonen van een kerkdienst of het niet mogen verdedigen dat de Islam een verwerpelijke godsdienst zou zijn. Bovendien weegt ook het belang dat gediend zou worden met een inperking niet altijd even zwaar: bescherming van het milieu in het geval van verstrooiing van crematie-as over een rivier bij een Hindoe-ritueel weegt bijvoorbeeld minder zwaar dan bescherming van de lichamelijke integriteit bij ingrijpende vormen van meisjesbesnijdenis.

9. Conflicten van grondrechten kunnen dus niet categorisch worden opgelost in de zin dat een bepaald grondrecht altijd zwaarder weegt dan een ander grondrecht. De oplossing moet worden gezocht door na te gaan hoe zwaar in concreto bepaalde dimensies van het eigen bestaan wegen voor de betrokken grondrechtsdragers, en hoe in concreto het beste recht kan worden gedaan aan de conflicterende belangen en waarden. Dat is meer dan afwegen, het vereist ook verwijzing naar criteria als subsidiariteit en proportionaliteit.

10. Zowel de gelijke menselijke waardigheid als de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van onderwijs dienen als zeer wezenlijke grondrechten te worden gezien. Dat maakt conflicten tussen deze grondrechten onderling extra ingewikkeld en zelden bevredigend op te lossen.

11. Een kritische herijking van historisch gegroeide verschillen in behandeling van godsdiensten en andere levensovertuigingen is zinvol, zowel in het licht van de secularisering als in het licht van de komst van nieuwe godsdiensten binnen Nederland. We dienen daarbij te onderscheiden tussen ongerechtvaardigde privileges en gerechtvaardigde verschillen in behandeling Het formele rechtvaardigheidsbeginsel houd immers in: gelijke behandeling van gelijke gevallen en ongelijke behandeling van ongelijke gevallen naar de mate van ongelijkheid. Privileges (zoals het afwijkend ontslagrecht voor bijzonder onderwijs, het verbod op godslastering en het ambtsgebed) moeten worden afgeschaft, voor zover ze in strijd zijn met de neutraliteit van de staat of het non-discriminatiebeginsel.

12. Tal van regelingen rond godsdienst zijn echter te zien als het terecht rekening houden met specifieke wezenlijke behoeften van bepaalde groepen gelovigen die andersgelovigen of niet-gelovigen niet hebben, zoals crematierituelen, de eredienst, rust- en feestdagen, kledingvoorschriften en dieetvoorschriften. Voor zover andersgelovigen of niet-gelovigen vergelijkbare wezenlijke behoeften hebben, dienen dergelijke regelingen ook hieraan tegemoet te komen. Historische voorbeelden van een dergelijke aanpassing zijn de mogelijkheid voor iedereen om de belofte af te leggen (en dus niet alleen voor doopsgezinden en andere religieuze minderheden zoals tot dan toe gebruikelijk was) en de erkenning van niet-religieuze gewetensbezwaren tegen de militaire dienst. Dit kan wel extra praktische problemen geven (bijvoorbeeld bij de toetsing van de ernst van bezwaren), maar die zijn m.i. niet onoverkomelijk.

13. Een voorbeeld waar de overheden tekort zijn geschoten, is de omgang met ambtenaren van de burgerlijke stand met gewetensbezwaren tegen huwelijken tussen paren van hetzelfde geslacht. Bij de openstelling van het huwelijk voor homoparen was de erkenning van gewetensbezwaren een gerechtvaardigde accommodatie van reeds aangestelde ambtenaren. Op dat moment had echter tevens moeten worden besloten dat in de toekomst geen nieuwe ambtenaren zouden worden benoemd met gewetensbezwaren, zodat het probleem geleidelijk vrijwel geheel zou kunnen verdwijnen. Nu dit door lokale en nationale overheden is nagelaten, is het probleem onnodig verscherpt. M.i. dient nu met zittende ambtenaren die na 2001 zijn benoemd te worden nagegaan of zij andere functies binnen de overheid kunnen krijgen, c.q. hoe zij op afzienbare termijn kunnen vertrekken.

 

Maatschappelijke achtergronden en draagvlak.

14. Nederland is voor het eerst in eeuwen niet meer een land van minderheden, maar een land met een grote meerderheid met een seculiere progressief-vrijzinnige moraal (rond gelijke rechten voor vrouwen en homo’s, euthanasie en abortus) en een aantal kleinere afwijkende groepen. (Vgl. J. Kennedy en J.W. Duyvendak.) In die meerderheidsopvatting wordt godsdienst ten onrechte gezien als iets wat alleen de privésfeer raakt. Godsdienstige overtuigingen worden gezien als puur persoonlijke keuzes (voor opvattingen die bovendien vaak als achterhaald en of achterlijk gezien worden), vergelijkbaar met gevaarlijke of irrationele voorkeuren als die voor bergbeklimmen of roken. Als gevolg van dit seculier-individualistisch frame lijkt er ook geen reden te zijn om religieuze minderheden tegemoet te komen; het is hun eigen keuze om af te wijken en dan moeten ze de gevolgen ook maar dragen.

15. Die homogeniserende meerderheidsideologie hangt samen met een verminderd inlevingsvermogen in mensen die afwijken van de standaard. Voor een ‘recht op anders zijn’ is weinig draagvlak in een samenleving waarin aanpassing aan de standaard de norm is. De bereidheid om minderheden te accommoderen wordt dan ook minder.

16. Aangezien grondrechten nu juist vaak het recht op anders zijn (qua godsdienst, mening, seksuele voorkeuren etc.) beschermen tegen een onverdraagzame meerderheid, vermindert door deze verandering ook het draagvlak voor grondrechten en voor instellingen (rechters, CGB) die grondrechten dienen te waarborgen.

17. Het gevolg kan zijn een toenemende spanning tussen een juridisch kader dat uitgaat van rechtsstatelijke beginselen en grondrechten en een deel van de bevolking. Het is de verantwoordelijkheid van juridische en politieke instellingen om in deze spanningsverhouding een matigende en bemiddelende rol te vervullen, maar ook om de rechtsstatelijke beginselen en grondrechten actief te verdedigen.