Schaatscultuur

Wibren van der Burg, 11 februari 2012

De afgelopen dagen heb ik genoten van het schaatsen. Als het vriest, gaat het bij mij kriebelen – dan moet ik het ijs op. Zelfs bij deze tweede generatie Fries om útens zit dat er diep in. Die passie heb ik van mijn ouders. Als er ijs was, moest je schaatsen – zo simpel was het. Schaatsen is gewoon een deel van de Friese cultuur die ik van huis uit heb meegekregen. Daarom reed ik in 97 ook de Elfstedentocht: het was gewoon een deel van mijn culturele identiteit. Mijn beide ooms, van vaders- en van moederskant, reden hem, mijn oudste broer reed hem en ik dus ook. Maar ik heb nooit enige aandrang gehad om de alternatieve Elfstedentocht te rijden – daarbij gaat het vooral om die sportprestatie en ik ben nu een keer bepaald geen sportfanaat.

Schaatscultuur en nationale identiteit: het is een interessant thema. Wie op het ijs is, valt het al snel op: het is een witte wereld. Er schaatsen nauwelijks allochtonen. Dat is natuurlijk niet zo vreemd, want zij hebben het voorbeeld niet meegekregen van thuis, laat staan de passie. En laten we toegeven, dat heb je wel nodig, want schaatsen is natuurlijk in het begin niet echt leuk: het is koud, je valt steeds en je komt nauwelijks vooruit. Dan heb je ouders of vrienden nodig die je erdoorheen sleuren tot het moment dat het wel leuk wordt omdat het glijden ineens vanzelf lijkt te gaan. Een effectief voorstel voor Wilders om buitenlanders te weren zou daarom zijn de invoering van een verplicht schaatsexamen voor inburgeraars. Ware het niet dat een groot deel van zijn achterban (ook van die buiten Limburg) zelf ook niet kan schaatsen.

Want het zijn echt niet alleen de allochtonen die ontbreken op het ijs. Als je de media mag geloven, is schaatsen kenmerkend voor de Nederlandse cultuur, maar het lijkt maar een kleine minderheid die zelf schaatst. De meeste Nederlanders wagen zich helemaal niet op het ijs. Dat levert een interessante paradox op. Hoe kan iets wat maar door weinigen buiten Friesland en de waterrijke delen van het platteland actief wordt beoefend toch als nationale sport worden gezien? Hoe kan dan die mythe over de Nederlandse schaatscultuur standhouden?

Een deel van de verklaring ligt volgens mij in de hype rond de Elfstedentocht, die mythische gebeurtenis met grote en kleine helden, tegenwoordig bijna een symbool van de Nederlandse identiteit. Ook het taalgebruik eromheen grijpt terug op het verleden: met “de Tocht der Tochten” komt de tale Kanaäns ineens weer tot leven. De populariteit van deze tocht ligt natuurlijk allereerst in een nostalgisch verlangen naar vroeger, naar de tijd waarin gewone boerenjongens nog helden konden zijn. Die nostalgie is vergelijkbaar met die rond het mateloos populaire ‘Boer zoekt vrouw’. Van de kijkers naar dat programma zou vermoedelijk vrijwel niemand echt boer of boerin willen zijn, maar het appelleert wel aan diepere verlangens naar een fictieve pastorale tijd, waarin het leven nog goed was.

Het voordeel van de Elfstedentocht is dat mensen zich met die grote en kleine helden kunnen identificeren zonder ooit zelf op het ijs te komen. Je hoeft daarvoor helemaal niet te kunnen schaatsen. Ook op de bank thuis kun je je identificeren met de Elfstedenrijders zonder zelf moe te worden. Alleen de uitverkorenen kunnen immers meedoen. Het gewone schaatsen op natuurijs en de mogelijkheid van kortere toertochtjes lenen zich veel minder tot zo’n identificatie op afstand, tot plaatsvervangende deelname aan een nationaal gebeuren. Want je zou immers zelf kunnen deelnemen als je maar echt zou willen. Als je maar bereid was om de kou trotseren en schaatsen te leren.

Het is dus veel comfortabel om je te identificeren met een tot heroïsche proporties opgeblazen Elfstedentocht. Daarom biedt de Elfstedentocht de perfecte mogelijkheid tot symbolisering van een nationale schaatscultuur. De Elfstedentocht combineert de mogelijkheid tot identificatie (het zijn allemaal gewone mensen net als wij), met de mogelijkheid tot afstand en verafgoding (het zijn toch wel heel bijzondere mensen die zoiets presteren), zonder dat je zelf hoeft deel te nemen. Eigenlijk net als bij het koningshuis: het zijn ‘net gewone mensen’ terwijl ze toch zo bijzonder zijn.

Jammer dat het deze keer niet door kon gaan, maar gelukkig geniet ik ook zonder die tocht wel van het ijs. Om plezier te hebben op natuurijs hoef je echt niet van die grote tochten te rijden. De Elfstedentocht zou prachtig zijn geweest en, toegegeven, ik raakte op het allerlaatst ook aangestoken door de Elfstedenkoorts. Maar ik geniet vooral van de magie van het zelf schaatsen in de bevroren natuur.

Dat gevoel, die bijna mystieke ervaring van het glijden op natuurijs, is prachtig onder woorden gebracht door de Friese dichter Lieuwe Hornstra in zijn gedicht Winter:

It reid is brutsen
Reedridend sjongt my it iis
Myn eagen trienje

[Nederlandse vertaling WvdB:

Winter

’t riet is gebroken
Schaatsend zingt voor mij het ijs
Mijn ogen tranen]