Afrekenen met de linkse kerk

Wibren van der Burg, 29 augustus 2011
Een van de grote hervormings- en bezuinigingsplannen van dit kabinet is een ingrijpende herziening van de publieke omroep. De bezuinigingen en vooral de beoogde fusie tussen de ledenomroepen krijgen daarbij veel aandacht. Eén onderdeel van de veranderingen blijft daarbij meestal onderbelicht, hoewel het naar verhouding veel ingrijpender is. Dat is de halvering van het budget voor de kleine levensbeschouwelijke omroepen (ook wel aangeduid als de 2.42-omroepen naar het desbetreffende artikel uit de Mediawet 2008): IKON, RKK, ZVK, HUMAN en de boeddhistische, joodse en hindoeïstische omroepen. (De moslims kregen bij de laatste ronde wegens organisatorische problemen geen zendtijd. Het voorstel maakt toetreding van nieuwe omroepen in de toekomst onmogelijk, zodat moslims permanent uitgesloten zullen blijven – hoewel ze, na de katholieken en de kerken die zich hebben verenigd in de IKON, in omvang de derde stroming in Nederland zijn.)
Elk van de coalitiepartijen heeft eigen overwegingen rond dit voorstel. De PVV is heel helder: ze wil afrekenen met de IKON. Met een boegbeeld als Paul Rosenmöller is dit voor hen letterlijk en figuurlijk deel van de zo verguisde ‘linkse kerk’. Volgens een artikel in NRC-Handelsblad wilde Martin Bosma zelfs de Joodse Omroep buiten de bezuinigingen laten vallen – het ging immers om de linkse IKON. Bosma’s bijdrage aan het debat in de Kamercommissie druipt van het triomfalisme dat men eindelijk de gehate IKON kan aanpakken. De VVD heeft een meer principiële invalshoek: zij vindt dat de levensbeschouwelijke omroepen helemaal opgeheven zouden kunnen worden. De halvering van het budget is vermoedelijk voor hen een stap in de goede richting.
Het is vooral de argumentatie van CDA-minister Marja van Bijsterveldt die verbazing wekt. De minister stelt dat een kwart van de programma’s van deze omroepen algemeen van aard zou zijn en dat de omroepen zich dus niet tot hun kerntaak beperken. Letterlijk schrijft zij: “Het kabinet is bovendien van mening dat de 2.42-omroepen zich voortaan moeten beperken tot de specifiek levensbeschouwelijke taken.” Als die algemene programma’s worden overgenomen door de gewone omroepen kan er bezuinigd worden, zo is haar redenering. (Het is overigens onlogisch om dan met een korting van 50 % te komen in plaats van 25 %. Logica is bij ideologisch gekleurde bezuinigingsoperaties blijkbaar irrelevant.)
Onduidelijk is hoe de minister tot haar oordeel komt over dat niet-levensbeschouwelijke aandeel van 25 %. De officiële classificatie naar genre is nogal discutabel. Neem bijvoorbeeld het IKON-programma Songs of praise (een combinatie van religieuze liederen en persoonlijke geloofsverhalen), dat in de bureaucratische indeling wordt geclassificeerd als ‘klassieke muziek’. Maar heldere onderscheidingscriteria bieden de stukken helaas niet.
De mondelinge toelichting is al helemaal niet overtuigend, integendeel. Tijdens de commissievergadering zei de minister dat de specifieke doelstelling van de 2.42-omroepen is: “godsverering of religieuze of geestelijke bezinning. (…) de centrale doelstelling moet zijn gelegen in het belijden van de gemeenschappelijke religieuze overtuiging”. Ze miskent hiermee dat een maatschappelijke component integraal onderdeel uitmaakt van veel godsdiensten en levensbeschouwingen. Nog daargelaten dat er veel andere manieren zijn om gestalte te geven aan een levensbeschouwing dan alleen door godsverering en bezinning. Kortom, de afbakening van de toekomstige taken van deze omroepen roept tal van praktische vragen op.
Het draait hier echter ook om een heel principiële vraag, en daarop gaan noch de minister noch de Kamerleden in. Dat is de vraag of het aan de minister is om inhoudelijke uitspraken te doen over de kerntaak van levensbeschouwelijke genootschappen. Het gaat hier niet over de inhoud van de programma’s van de KRO of de EO, maar over de zendtijd die aan kerken en vergelijkbare organisaties is toegekend. (De IKON en ZVK doen dat namens een aantal kerken). Een overheid die zich een dergelijk oordeel aanmatigt, tast fundamenteel de scheiding van kerk en staat aan. Dit beginsel houdt namelijk in dat de staat zich niet mag bemoeien met de interne aangelegenheden van een kerk; de vraag wat de kerntaken van een kerk zijn, is bij uitstek zo’n interne kwestie.
Ook de vrijheid van godsdienst is overigens in het geding. Die beperkt zich immers niet tot eredienst en ethische bezinning, maar omvat ook de praktische toepassing ervan. Daaronder valt bij veel godsdiensten (en zeker bij de humanisten) ook de maatschappelijke bezinning. Een minister die zelf namens een confessionele partij volksvertegenwoordiger is geweest, moet zich bewust zijn van deze bredere betekenis van levensovertuiging.
Door dit voorstel worden dus twee fundamentele beginselen van onze democratische rechtsstaat aangetast. Aanvaarding creëert een gevaarlijk precedent dat de staat zich met de interne aangelegenheden van kerken mag bemoeien, en impliceert dat het bereik van de godsdienstvrijheid ingrijpend wordt ingeperkt. Juist van een CDA-minister zou meer inzicht en staatsrechtelijk besef mogen worden verwacht. Laten we hopen dat de betrokkenen nog tijdig bij zinnen komen.

Deze blog verscheen ook als Opinie in het Nederlands Juristenblad van 26-08-2011, p. 1877-8.