Traditionalist

Wibren van der Burg, 1 april 2011

Ik ben inmiddels wel wat gewend aan merkwaardige benamingen voor mij en mijn opvattingen, maar soms weten mensen je toch nog te verbazen met iets nieuws. Zo werd ik onlangs in het filosofentijdschrift Filosofie & Praktijk door twee Amsterdamse collega’s (Cees Maris en Tim Wolff) met mijn ‘nationaal alternatief’ in het kamp geplaatst van de traditionalisten, de provincialen die teruggrijpen op vertrouwde nationale tradities als het sinterklaasfeest. Tja. Het is weer eens wat anders. Meestal word ik in hatemail of op scheldsites weggezet als ‘sprekend voorbeeld van de doorgedravende moslimknuffelcultuur’, als cultuurrelativist, of als knettergekke landverrader.

Het artikel is bedoeld als reactie op mijn eerdere bijdrage over neutraliteit in hetzelfde blad. Maar helaas is het vooral een herhaling van hun eigen standpunt. Ze onderbouwen hun visie met verwijzingen naar maar liefst 14 publicaties van hun eigen hand. Een indrukwekkende output! Maar als ze in plaats van voor te lezen uit eigen werk ook nog enige tijd hadden besteed aan het zorgvuldig bestuderen van mijn artikel en – ik weet, het is veel gevraagd – van misschien nog een enkele andere publicatie zoals mijn recente oratie over neutraliteit, dan was een inhoudelijk debat mogelijk geweest. Nu praten ze zo volstrekt langs mij heen, dat het corrigeren van alle misvattingen onbegonnen werk is. Een treffende illustratie van dit schijndebat is hun eigen principiële opvatting die ze aan het slot van hun artikel presenteren als alternatief voor mijn visie. De vier stappen waaruit deze bestaat, zijn alle vier kernpunten in mijn proefschrift; slechts één zin uit hun toelichting zou niet de mijne zijn.

Het gaat mij dan ook niet om het artikel zelf, maar om één thema daaruit, de tegenstelling die de auteurs maken tussen kosmopolitische universalisten en provinciale traditionalisten. Vooral dat ‘nationaal alternatief’ intrigeert mij, en niet alleen omdat het wat vreemd is dat een provinciaal blijkbaar een nationaal alternatief kan bepleiten. De reden om mijn positie zo te betitelen is dat mijn vertrekpunt bestaat uit het Nederlandse staatsrecht en de Nederlandse politieke praktijk. Voor een jurist, maar ook voor een docent rechtsfilosofie lijkt me dit nogal voor de hand te liggen, maar blijkbaar ligt dat voor de auteurs anders. We kunnen, zoals ik ook in mijn artikel doe, op punten stevig kritiek uiten op het geldende recht, maar er lijkt me geen enkele reden om dit categorisch te negeren, alsof het er niet toe doet. Voor een rechtsfilosoof lijkt het me zelfs een ernstige fout. Wil je praktisch relevant zijn, dan dient het geldende recht een vertrekpunt (maar zeker niet het eindpunt) te zijn. Niet meer, maar ook niet minder. Dat lijkt me gewoon een minimaal vereiste wil je als rechtsfilosoof ook een bijdrage leveren aan het debat over het wenselijke recht.

Maar het verwijt gaat dieper dan dat ik alleen het geldende recht als vertrekpunt zou nemen. Ik ben een ‘traditionalist’; ik beroep mij namelijk op de Nederlandse politieke praktijk en op onze geschiedenis. Dat is voor mij de traditie van polderen, van wederzijdse accommodatie, tolerantie en respect voor minderheden en erkenning van gewetensbezwaren. Een vrijplaats voor denkers als Descartes en Locke en voor vervolgde religieuze minderheden als de Portugese joden. Een land van tolerantie van afwijkende geloofsovertuigingen en levensvisies, hoe ergerlijk of onzinnig een meerderheid ze ook mag vinden. Die vrijzinnige traditie, die teruggaat tot Erasmus, Hugo de Groot, Spinoza en Thorbecke, is voor mij niet alleen maar bijzonder waardevol, het is een van de wezenlijke onderdelen van mijn identiteit als Nederlander. Nederland was in 1579 met de Unie van Utrecht het eerste land ter wereld dat in een constitutioneel document een algemeen grondrecht erkende, de vrijheid van geweten en van godsdienst. (Het geeft voor mij nog altijd een extra accent aan mijn juridische bul dat ik die in dezelfde zaal heb ontvangen als waar die Unie gesloten is.) Als er iets is om trots op te zijn als Nederlander, dan is het deze vrijzinnige traditie.

Een traditie is, als het goed is, een levende traditie. Een traditie moet zichzelf steeds aanpassen aan veranderende omstandigheden. De verzuiling is gelukkig grotendeels voorbij, en we hebben door de migratie nieuwe religieuze en culturele minderheden erbij gekregen. De Nederlandse vrijzinnige traditie moet zich aan die nieuwe situatie aanpassen in het licht van fundamentele waarden die eraan ten grondslag liggen zoals democratie, vrijheid en gelijk respect voor alle burgers. Neutraliteit in Nederland anno 2011 moet iets anders betekenen dan 100 jaar geleden in de tijd van de schoolstrijd, of dan in de Verenigde Staten anno nu. Ons recht is anders en de samenleving is anders.

We leven niet meer in de tijd van schuilkerken, gelukkig maar. Herijking van de traditie houdt voor mij zeker niet in dat we nu maar schuilmoskeeën moeten invoeren, ook al zouden sommigen dat misschien willen. Evenzo betekent herijking niet dat we nu maar kunstmatig een moslimzuil moeten oprichten. Dat is een reactionaire manier om met een traditie om te gaan, waarbij je teruggrijpt op vormen uit het verleden en die kunstmatig probeert te herscheppen. Het doel van mijn onderzoek is een herijking van de traditie waarbij we niet terugkijken, maar vooruitkijken. We moeten die waardevolle Nederlandse vrijzinnige traditie herijken en vernieuwen in het licht van veranderende omstandigheden, zoals de secularisering en de komst van grote groepen moslims, hindoes en evangelische christenen. Ik probeer daarom tot een invulling van neutraliteit te komen die voortbouwt op de traditie, maar tegelijk geschikt is voor weer een heel ander type samenleving dan die van 1579 of van 1917.

(Overigens, maar dit terzijde, blijkt de waarde van zo’n vrijzinnige benadering zeker niet beperkt tot Nederland. Hier in Canada, waar ik (als provinciaal natuurlijk tegen mijn zin) tijdelijk verblijf, blijkt die benadering van neutraliteit in goede aarde te vallen bij veel collega’s. Vergelijkbare ideeën als wederzijdse accommodatie en ‘evenhandedness’ zijn erkend door de Canadese wetgever en door de hoogste rechter. Laten we als filosofen niet altijd naar de Verenigde Staten kijken voor inspiratie.)

Voor die zichzelf steeds vernieuwende vrijzinnige Nederlandse traditie wil ik dus inderdaad opkomen. Als sommige Amsterdammers mij daarom als een traditionalist bestempelen – het zij zo. Misschien moet ik dat dan maar, naar goed-Nederlands gebruik, als een geuzennaam beschouwen.